Schil eerst de appels en verwijder het klokhuis met een appelboor. Snij ze in plakken van ongeveer een halve centimeter dik. Druppel wat citroensap over de schijfjes, zodat ze niet bruin worden. Zet ze even apart, want nu komt mijn grote tip. Ik doe deze stap altijd de avond voordat ik ze ga bakken.
Meng vervolgens een half kilo kristalsuiker en het kaneelpoeder goed door elkaar.
Pak een grote schaal of emmer, en doe wat van het mengsel op de bodem. Leg daar een paar plakjes appel op, en strooi er ruim van het suiker-kaneelmengsel over. Vervolgens weer appelplakken erop, er weer suiker met kaneel erover strooien. Zo ga je door totdat alle appels in de schaal liggen, en strooi daar nog een ruime hoeveelheid suiker met kaneel over.
Doe er een schone handdoek over, en laat het tot de volgende morgen staan. De volgende morgen kun je ventueel het sap wat zicht onder in de schaal heeft verzameld voorzichtig eruit gieten. Let wel, er hoeft geen citroensap over om de appels mooi te houden. Ze worden nu wat bruiner, dat is ook de bedoeling. Dat geeft nog meer smaak.
Maak het beslag door de bloem, bakpoeder, suiker en zout in een kom te mengen. Voeg de eieren toe en schenk geleidelijk de melk erbij terwijl je goed roert tot een glad beslag ontstaat. Het moet een dik, vloeibaar beslag zijn dat goed aan de appel hecht.
Verhit de olie tot ongeveer 180 graden. Haal telkens een appelring door het beslag en laat voorzichtig in de hete olie glijden. Bak de beignets aan beide kanten goudbruin, dat duurt meestal 2 tot 3 minuten per kant. Laat ze uitlekken op keukenpapier.
Bestrooi de appelbeignets royaal met poedersuiker. En geniet van die klassieke smaak die iedereen zo lekker vindt.