Eerst de bloem mengen met zout en suiker. Je voegt hier de gist aan toe, maar zorg ervoor dat het zout de gist niet direct raakt. Daarna schenk je langzaam de melk erbij en begin je te kneden.
Zodra het deeg samenkomt, voeg je de boter toe. Dit maakt het deeg soepel en zacht. Blijf kneden tot het deeg glad is en een beetje veerkracht heeft wanneer je erop drukt.
Laat het deeg vervolgens rijzen in een licht ingevette kom. Dek het af met een theedoek en zet het op een warme plek. Na de eerste rijs (15 tot 20 minuten) verdeel je het deeg in vijftien gelijke stukken.
Draai elk stuk tot een rond bolletje door het strak over je hand te rollen. Leg ze op de bakplaat en laat ze opnieuw rijzen. Dit tweede rijsmoment is belangrijk voor de luchtige structuur (ongeveer 15 minuten).
Wanneer ze mooi zijn gerezen, bak je ze in een voorverwarmde oven op 200 graden tot ze goudbruin zijn. Dit duurt ongeveer 10 tot 15 minuten. Zodra ze uit de oven komen, voel je meteen hoe zacht ze zijn. Laat ze even afkoelen voordat je ze eet.